EN TEKENT SOMS WAT
Ze draait de contactsleutel om, de motor slaat af. Om de plotse stilte te verjagen opent ze het portier. Winterse kou stroomt naar binnen. Ze draait zich om. De deken in de laadruimte lijkt nauwelijks verschoven tijdens hun rit. Het is een oranje wollen, uit het vakantiehuisje. Haar vader ligt er als een Japans pakketje bij. Volledig toegedekt, zelfs zijn hoofd schuilt onder de wol. Het troost haar dat zijn koude, stijve lijf tot op het laatst wordt verwarmd door iets vertrouwds. De rondingen in de deken tonen hoe hij ligt; zijn voeten op de plek waar de bijrijdersstoel is neergeklapt, zijn hoofd bij de achterklep. Ertussen een heuvel, de pens die ooit immens was en voor haar vader een bron van ambivalente trots. De buik die tussen hen in werd geklemd als hij haar stevig beetpakte voor een knuffel.
'En nu dan?’ vraagt ze meer aan zichzelf dan aan haar vader. In elk geval uitstappen beslist ze en zet haar voeten één voor één op het uitgesleten stuk zand waar ze haar vaders Volvo heeft geparkeerd. Ze strekt zich uit en draait rondjes met haar heupen om de stijfheid te verjagen. Dan loopt ze naar de achterkant van de auto en tast naar de knop waarmee de deur opent. Eenmaal gevonden laat ze de klep kalm vieren. Ze hurkt neer naast de deken. Het zou handig zijn om in de laadbak te zitten, maar dat voelt te dichtbij. De deken terugslaan, hem aanraken; misschien dat het straks lukt.
'Al,' fluistert ze en corrigeert zichzelf zoals haar vader vaak deed, articuleert dan duidelijker. 'Hé Al.' Wat daarna moet komen weet ze niet precies. De handeling vanmorgen had haast buiten haar om plaatsgevonden. Zonder nadenken was ze in de auto gestapt waarin haar vader wachtte tot hij de aula in kon. In een waas was ze gaan rijden en pas toen ze de polder binnen kwamen begreep ze waarom.
De afgelopen jaren zagen ze elkaar regelmatig, maar het contact werd altijd verdund door de aanwezigheid van anderen. Misschien durfden ze de echte verbinding niet aan? Nu twijfelt ze of het zin heeft nog iets te zeggen. Al hoort het toch niet meer. Maar belangrijker nog: ze heeft te lang gezwegen. De gevoelens en gedachten die ze ooit had kunnen delen zijn niet gezegd en 53 jaar aan verzwegen gevoelens is een enorm vacuüm dat onmogelijk nog gevangen kan worden in een paar zinnen.
Ze komt overeind, schudt de beknelling uit haar benen en kijkt om zich heen. Vóór zich de uitgestrekte weilanden, rijkend tot aan de autoweg waar ze net overheen zijn gekomen. Aan de andere kant de dijk, als een natuurlijke muur, het gras grauw, met kale plekken ertussen zoals ze dat kent van januari. Een stuk verderop hangt de zon boven het dorp waar ze ooit woonden toen ze nog een gezin waren van zes. Een vader, een moeder en vier dochters. Zij was nummer twee.
Ze laat zich nu toch behoedzaam zakken op de rand van de laadbak, alsof ze gaat wandelen en haar bergschoenen aantrekt. Dan zet ze zichzelf ertoe haar hand losjes op haar vaders kanis te laten rusten, zoals hij zijn schedel noemde. 'Kan je raden waarom we hier zijn, Al?' vraagt ze. Ze denkt van niet; het is zo lang geleden en ze was nog maar een kind en hij een man die misschien nog van zijn vrouw, haar moeder, hield.
Hij had haar hier mee naartoe genomen, vroeg in de avond. Hoe ze er kwamen weet ze niet meer. Zat ze achterop bij haar vader, haar benen in de fietstassen gestoken? Of had hij het zich makkelijk gemaakt en stond de auto misschien op dezelfde plaats geparkeerd als waar zij nu staan? In ieder geval was het zomer; het was lang licht en het water aan de andere kant van de dijk was lauw geweest.
Ze voelt de ronding van zijn hoofd in haar handpalm branden. Ze stelt zich zijn schedel voor: een kale bol bezaaid met leverkleurige vlekjes, een paar verdwaalde stoppels ertussen. Met haar andere hand trekt ze de deken voorzichtig opzij. Haar vaders gezicht laat zich zien. Hoewel ze hem de hele week opgebaard op bed heeft zien liggen, zij zelfs even naast hem, schrikt ze. Hij is grijzer van kleur, doorschijnender, de huid spant strak om zijn jukbeenderen en neus waardoor hij spitser oogt. Zijn ogen zijn gesloten, alsof hij slaapt. De humor die hij had lijkt uit hem weggetrokken. Ze staart een tijd naar hem. Hij is gegaan, zonder vervanging te regelen. Hoe moet ze nu verder als kind zonder vader?
'We klommen naar boven op de dijk, Al,' zegt ze 'en glibberden via de basaltblokken naar het water.' Opeens ziet ze de herinnering heel scherp: ze droeg haar waterschoentjes van gevlochten plastic. Zou ze die keer met kleren aan hebben gezwommen? Het komt haar opeens waarschijnlijk voor; om te oefenen voor het A-diploma.
'Ik ging het water in en jij bleef zitten op de stenen en keek toe hoe ik zwom.' Het was maar een kleine herinnering en toch had ze die al die jaren bewaard. 'Misschien had je een boekje of een krant bij je, maar bovenal was je aandacht bij mij en sloeg je gade hoe ik bleef drijven in het meer.'
Ze strekt haar benen, de auto veert op. De klep laat ze open als ze de dijk op klautert. Onder haar nette begrafenis-broek draagt ze sneakers. Ze weet zeker dat haar vader daar niks van had gevonden.
Boven op de dijk kijkt ze tussen de kale bomen door naar het IJsselmeer, dat niet meer zo heet maar ze stoïcijns zo is blijven noemen. Er hangt damp boven. Ze snuift, herkent de geur van zoet water en zeewier. Ze glibbert een stukje omlaag over de grijze stenen, slaat haar vest stevig om zich heen en laat zich zakken. Starend naar het water stelt ze zich voor hoe het er hier die zomer uitzag. De bomen vol blad die wiegende schaduwen maakten op het wateroppervlak. Zij in haar zwembroek met lichte zomerkleding erover, de waterschoentjes in het zand op de bodem van het water. Haar vader hier waar zij nu zit, een Maigret in zijn hand, zo'n stoffig verkleurd stinkboekje met van die dunne pagina's, eindelijk rust en misschien, ze durft het nauwelijks te geloven, misschien genietend van een moment alleen met zijn tweede dochter.
Ze staat op en klimt sneller terug dan ze heenging, sluit voorzichtig de laadklep en schuift achter het stuur. Ze draait het contactsleuteltje om. Het is voorbij.